Max

Zoals gewoonlijk, merkten katten en kinderen hem het eerst op. Een zwarte kater stond op en siste venijnig voordat hij een steegje in schoot. Iets verderop deed het driejarige visserszoontje Frederik zijn uiterste best de kleertjes die hij droeg nog viezer te maken toen hij zijn ogen op de voorbijganger richtte en in huilen uitbarstte.


Eryn liet zijn speer zakken tot deze met de punt naar de grond wees. Hij overwoog terug te gaan en zijn speer achter te laten in het kamp. Toen hij het dorpsplein zag opdoemen, besloot hij echter dat het geen zin meer had. Eryn liep de hobbelige keien van het dorpsplein op. De huizen waren hier veel groter dan in de straten waar hij net doorheen was gelopen. Rechts van hem zag hij het raadshuis, waar nog enkele lieden voor stonden te praten. Over de hele breedte van het pand waren kransen van Desj gespannen. Dat stelde Eryn gerust. Het verbaasde hem echter dat ook dit kleine dorpje in het oosten van het koninkrijk, zo ver weg van de hoofdstad, een toereikende zilvervoorraad had die hen in staat stelde de kransen te maken. Eryn liep langs de lage trappen die naar de grote, houten deuren van het raadshuis leiden. Enkele panden ernaast lag een kleine herberg waar een warm licht vandaan kwam. Een door de deuren en ramen gedempte gezelligheid was tot op het plein te horen. Eryn glimlachte zwakjes, maar hij voelde zich verdrietiger worden. Hij liet zijn vrije hand afglijden naar het heft van zijn zwaard. Een frisse wind blies Eryn echter weer moed in om verder te lopen. Nu hij het plein was overgestoken, stond Eryn voor een groot, houten huis waar de raamkozijnen vrolijk van open stonden. Een uitnodigend, geel licht glipte tussen de kieren van de deur door. Ook om dit huis hing een krans van Desj. De stukken zilver glommen onder de aandacht die ze kregen van het licht uit het huis. Eryn klopte met zijn vrije hand op de deur. Enkele ogenblikken later werd deze open gedaan met een brede zwier. In de deuropening verscheen een grote man met een borstelige, zwarte baard.
"Jongen, waar kom jij opeens vandaan", bulderde Alvyn hartelijk, "en waarom draag je het legeruniform van het koninkrijk?"
"Oom Alvyn", antwoordde Eryn verrukt, "wat ben ik blij u weer te zien." Hij zette zijn speer naast de deur en viel in een omhelzing van zijn oom.
"Kom toch binnen", zei Alvyn terwijl hij een stap zijwaarts zette en Eryn binnenliet. "Je kunt je speer wel in de hal laten liggen."
Eryn volgde Alvyn omhoog over de smalle trap naar de eetkamer. Alvyn liep om een massief houten tafel heen. "Ga zitten en eet wat."
Eryn zetelde op een stoel met zachte bekleding en keek verlangend naar een bord met brood en kip dat hem toegeschoven werd.
"Hoe gaat het met je moeder, mijn goede zus?"
Eryn slikte moeizaam. "Het spijt me dat ik u dit nu moet vertellen", hij liet zijn hoofd zakken, "maar ze is dood. Al enkele maanden. Samen met mijn vader was ze op handelsreis door ons buurland, het rijk van koning Nionen, nog verder naar het oosten, over de Feringa rivier die hier niet ver vandaan stroomt. Ze waren op reis om stoffen in te kopen voor onze marktkramen. Onderweg zijn ze naar alle waarschijnlijkheid aangevallen door een troep monsters."
Alvyn stond op, maar zakte daarna weer langzaam terug in zijn zetel. Een verslagenheid straalde zijn ogen uit.
"Niet lang daarna waren we door onze voorraad handelswaren heen. Er was niets meer over om te verkopen. Het kleine beetje geld dat ik gespaard had, was bij lange na niet voldoende om mij voor langere tijd van levensonderhoud te voorzien." Eryn onderbrak zichzelf even om een hap van zijn brood te nemen.
"Thilda, haal eens wat wijn voor ons uit de kelder." vroeg Alvyn aan zijn oudste dochter die net in de deuropening van het vertrek was verschenen. "Vertel me hoe je in het leger verzeild bent geraakt." zei hij terwijl hij zijn aandacht weer op Eryn richtte.
"Ik was boos. Ik was boos op de monsters, boos op de monsterplaag die steeds verder lijkt op te rukken en boos op koning Nionen en zijn land voor het faciliteren van de creatie van de meest verschrikkelijke schepsels. Bovendien is het niet makkelijk om te overleven in de grote stad. Ik had geen toevluchtsoord. Daarom heb ik me aangemeld voor het leger. Om terug te slaan tegen de monsters en koning Nionen. Om de dood van mijn ouders te wreken. We zijn hier vandaag met een kleine groep soldaten aangekomen om monsters die de omgeving teisteren uit te roeien. Ik wist niet dat wij hierheen zouden worden gezonden. Vlak voor we uw dorp hadden bereikt, herinnerde ik mij echter weer dat u hier woonde, toen wij u tien jaar geleden bezochtten."
"Tien jaar, is het al zo lang geleden dat we elkaar voor het laatst hebben gezien? Wij hebben hier inderdaad last van enkele troepen monsters in de omgeving. Bij de dorpsraad maken we ons grote zorgen om onze inwoners. We hebben niet genoeg zilver om alle huizen te beschermen tegen de monsters met kransen van Desj. Alleen de belangrijkste gebouwen hebben we op dit moment voorzien van kransen. Dat schept echter grote tegenstellingen in onze gemeenschap. De lagere bevolkingsgroepen morren."
Eryn verschoof zich op zijn stoel. "Ik moet zo terug naar het kamp. Morgenochtend vroeg vertrekken we naar de monsters."
"Wees voorzichtig."
"Natuurlijk oom. Bedankt voor uw gastvrijheid."
"Je kunt hier altijd terecht jongen. Als je uit dienst wordt gezet, houd dan in gedachten dat ik je een thuis kan bieden."
Eryn glimlachte nauwelijks merkbaar zwak, maar zijn ogen verrieden dat zijn emoties veel sterker waren. Hij viel wederom in een warme omhelzing van zijn oom. Daarna liep hij de smalle houten trap af, pakte hij zijn speer van de grond op en verliet het huis. Hij liep weer over de hobbelige keien van het dorpsplein, terug naar het kamp.